De oudste vermeldingen over een oud geslacht
Gelukkig zijn documenten en publicaties bewaard gebleven waar we de oudste vermeldingen in vinden. Schiffelers wordt dan weliswaar geschreven als Schiplart en Skiflart maar het zijn de oudste gegevens en duidelijk is dat er in de 12e eeuw al een geslachtsnaam is.
Ik voeg hier twee uit het latijn vertaalde documenten volgen. Het feit, dat je genoemd wordt al getuige voor de Hertog geeft aan dat je toch enig aanzien hebt en getrouwd zijn met een zus van Philips van Hermalle zegt ook meer dan genoeg. Toch hebben we nergens gevonden dat het ridders waren. Uit alle documenten en het feit dat de naam Scavedries genoemd wordt, kunnen we wel concluderen dat ze tot dit grote geslacht behoorden. Zij voerden tot in de 14e eeuw ook hun wapen.
De oudste vermelding komen we tegen in een akte uit 1172 uit het kartularium van de abdij van Rolduc.
In deze akte bevestigt Hendrik III, hertog van Limburg, dat de Abdij van Stavelot het recht heeft op de tienden (een vorm van belasting op oogst en vee) van Henri-Chapelle . Deze tienden waren oorspronkelijk geschonken door zijn grootvader, hertog Walram II van Limburg, en diens echtgenote Judith, ter ondersteuning van de armen en de abdij.
Belangrijkste punten uit het document
- Aanleiding: Monniken van Stavelot beklaagden zich bij hertog Hendrik III dat lokale pachters/boeren, op hitsing van kwaadwillenden, weigerden de tienden af te dragen—met name van nieuw ontgonnen landerijen (novalia) en gronden die voorheen braak lagen.
- Besluit: Na overleg met zijn raad en de betrokken meier (villicus) en tiendheffers herstelt de hertog het tiendrecht van de abdij in volle omvang (zowel in bossen als op ontgonnen gronden).
In de lijst met betuigen die aanwezig waren bij de bekrachtiging van de oorkonde door de hertog van Limburg komen we ook Winaldus filius Arnoldi Schiplars tegen.
"Walram IV, hertog van Limburg, bevestigt een arbitrale uitspraak gedaan ten gunste van de abdij van Val-Dieu, die betrekking had op een terrein gelegen te Haccourt. 13 februari 1273 n. st."
Aan allen die deze brief zullen zien. W. [Walram IV], hertog van Limburg, eeuwige groet in de Heer.
Laat het u allen bekend zijn dat, toen er een geschil ontstond tussen enerzijds Ar. [Arnoldus], genaamd Skiflart, uit naam van zijn echtgenote (de zuster van wijlen Philips van Hermalle), en hun kinderen; en anderzijds de religieuze mannen, de abt en het convent van het klooster Val-Dieu van de Cisterciënzerorde; over een stuk bouwland gelegen in het gebied van Haccourt, dat ooit toebehoorde aan de genoemde Philips.
De genoemde Skiflardus en zijn kinderen beweerden dat dit land uit hoofde van de rechten van de voornoemde echtgenote aan hen toebehoorde en eisten het op van deze religieuzen. Tenslotte hebben de genoemde partijen zich op goed advies en na raadpleging van verstandige en eerbare mannen — namelijk Goblion van Hukebak, Egidius en Wilhelm, broers genaamd Scavedrich, en Conrardus genaamd de Porta, ridders — onder ede en op straffe van een boete van twintig Luikse marken onderworpen aan een arbitrage. De boete zou moeten worden betaald door de partij die zich zou terugtrekken aan de partij die zich aan de uitspraak hield, op gevaar van het verliezen van de zaak.
Zij verklaarden voor ons dat zij verplicht waren de scheidsrechterlijke uitspraak, nadat de waarheid omtrent het land was onderzocht, onschendbaar na te leven en beloofden dit onder de genoemde boete te zullen doen.
Nadat de arbiters de taak op zich hadden genomen en de waarheid op advies van vrome mannen hadden onderzocht, hebben zij voor ons hun definitieve scheidsrechterlijke oordeel uitgesproken op basis van wat zij hebben gezien, gehoord en begrepen. Zij stelden vast dat de genoemde Ar. Skiflardum, zijn kinderen en erfgenamen tekortschoten in het bewijs van hun eis. Daarom hebben zij bij datzelfde vonnis verklaard dat de genoemde Ar. Skiflardum, zijn echtgenote en hun kinderen geen enkel recht hebben op het voornoemde land, en hebben zij hen een eeuwig zwijgen opgelegd. De religieuzen zijn daarmee vrijgesproken van hun eisen.
Toen de arbitrale uitspraak was gedaan, zijn de genoemde partijen voor ons verschenen en hebben zij zich uit vrije wil, zonder dwang, bij het vonnis neergelegd en ermee ingestemd.
Gedaan in aanwezigheid van ons, evenals van de partijen en de voornoemde scheidsrechters:
- (Theodericus), heer van Hynsberge;
- Emondus van Vreleberghe en Renerus van Driske, ridders;
- Broeder Hermannus, keldermeester, en broeder Johannes genaamd Skoffart, lekenbroeder van het voornoemde huis;
- Kuno, onze maarschalk/opperschenker (dapifer);
- Anselmus en Winandus van Wilhonrim, broers, en andere vrome mannen.
In getuigenis hiervan hebben wij ons zegel aan deze brief doen hangen op verzoek van de voornoemde partijen.
Gegeven te Berghes bij Aken (Berghes juxta Aquas), op de tweede dag na het octaaf van de Zuivering van de Heilige Maagd Maria, in het jaar des Heren 1272 (13 februari 1273 volgens de nieuwe stijl).
(Aantekening onderaan: Uit het origineel van het archief van de abdij van Val-Dieu. Hangt aan een dubbele strook perkament met een afdruk in groene was.)
Maak jouw eigen website met JouwWeb